genwijd openzet voor het leed en de strijd in de grote wereld buiten. Als ze verdienen, verdienen ze goed. Als ze werkeloos zijn, ervaren ze de eeuwenoude wijsheid, dat de wereld een Turkse schommel is, vandaag ben je boven en morgen lig je in de goot. Daarom bekijken ze hun werkgevers met gevoelens van gelijkheid, al redevoeren ze in politieke debatten over de onverzoenlijkheid van de klassenstrijd. De herinnering aan de gouden Kaapse tijd van het einde der vorige eeuw is langzaamaan verbleekt. De diamanthandel bestaat van de weelde der rijke mensen, die hun vriendinnen kostbare briljanten cadeau doen als geschenk, en hun echtgenoten edelstenen omhangen als een belegging. Het geringste zuchtje in de conjunctuur in de grote wereld kan het vak geselen als een orkaan. Wie vandaag juwelier is, loopt kans morgen straat-arm te zijn. Wie vandaag voor kantoor werkt als loon-diamantair, of wie 'eigen werk' maakt, kan overmorgen als een van de twintigduizend loonarbeiders knecht moeten spelen. Ze lijden daardoor aan precies het tegenovergestelde van de gouddelverskoorts. Vrijwel niemand gelooft, dat hij nog eens schatrijk zal worden; maar wie hoog te paard zit, moet erop bedacht zijn, dat hij plotseling ridder te voet kan worden. Die eeuwenoude gevoelens van onzekerheid heeft de bond weten om te smeden tot hechte solidariteit. Ze worden versterkt door een onlesbare dorst naar rechtvaardigheid. Als de sigarenmakers staken, zorgen de slijpers, dat de ondersteuning betaald kan worden. Als de transportarbeiders door de hardvochtige reders worden uitgesloten, zeggen de slijpers tegen elkaar:
'Al moeten we een jaar lang elke week betalen tot we blauw zien, de havenbaronnen kunnen de zenuwen krijgen.'
Het gezang in de zalen is verstomd. De slijpers zijn weg, de verstellers zijn verdwenen, de lopers, de leerjongens, de
in