ze zelf eens een keer voor de gek worden gehouden?
'Zo'n leerjongen, 't Is een brutale aap, maar hij heeft gijn.'
Misschien zijn ze tegenover de begijnte leerjongens zo tolerant omdat ze in de baldadige knapen zichzelf herkennen, zoals ze waren, lang geleden, toen ze nog geen kinderen hadden, die moeten dóórleren, en geen vrouw, die geld nodig heeft voor de huishouding. Zo'n leerjongen wordt 't vak onderwezen, maar veel eerder krijgt hij onderricht in zwemmen in diep water. Na een paar jaar voelt hij zich als een vis. Op het droge kan hij niet leven. Daarom keren alle slijpers vroeg of laat tot het vak terug, ook al hebben ze een jaar op de keien gestaan.
"t Is een rot-vak, maar alleen als je er niet verliefd op bent, krijg je het een hekel.'
Het milde menselijke klimaat van de slijperij verwarmt een brede golfstroom van mededogen, die duizenden ver buiten het vak omspoelt. Ze geven royaal en geregeld voor het koperen-stelen-fonds van Ome Jan van Zutphen. Als een ramp een gezin in de buurt treft gaan de mensen met lijsten rond. De slijpers tekenen in voor royale bedragen. De inzameling voor het Sinterklaasfeest van de Onderwijzersbond, de bedelpartij voor het Vacantie-Kinderfeest van meester Ploeger. Als elders in de stad voor een gulden wordt getekend, zetten zij op de lijsten: 'N.N. tien gulden.'
Vraagt zo'n onderwijzeresje, dat parmantig tussen de molens en de verstellers doortrippelt:
'N.N., wat betekent dat?'
Grinniken de slijpers:
'N.N.? Enne... enne... als je me ziet zal je me wel kennen.'
Dollend proberen ze een afspraakje met het wezentje te maken, maar ze zouden zich doodschrikken als het meisje erop in ging. Het is dit mededogen, dat de slijperijen wa-
I 10