Huib liep op de Heuvellaan in Hilversum. Hij was / op weg naar de studio. Langzaam liep hij de zacht glooiende helling op, waaraan de laan zijn naam te danken heeft. Er was zon en de oude, in de oorlog zeer verwaarloosde villa’s schenen vrolijker dan gewoonlijk.
Ze waren zo langs beide: kanten maar neergesmeten waar de eigenaar zijn stuk grond had gekocht en ze hadden stijl nog allure, omdat eenvoudig niemand rekening had gehouden met zijn buren en elke bouwer zijn gebrek aan smaak en begrip dus in openbaarheid had kunnen demonstreren.
De lange acteur keek ernaar en grinnikte. Rijke-luiskooien in een schip-op-het-droge-tuintje, dat soms bijna een park was. Maar in de rijke zon schenen de villa’s werkelijk bijna wat ze gaarne zouden willen zijn.
De dag leek goed en de zon vertroetelde de stemming. Voor hem liep een paartje. Een marine-officier en een schat van een vrouwtje. Hilversum lag vol marinemannen. Stijf gearmd kuierden de twee.
— ’t Is goed om te leven, ’t Is goed om te lopen in de volle zon en te kijken naar wat er leeft en woelt en geniet op aarde, dacht hij. Ik ben er in de stemming voor. ’t Is verdomd goed en die het anders zegt, is een misanthroop of een verdomde pestnikker!
Hij keek naar het paartje in liefde en knikte. Hij kon de zon op de weg zien schijnen en hij vroeg zich grinnikend af waarom me n dat juist in het water moest kunnen.
— Leuk als je nog zo kan lopen, genoot hij, toen hij zag hoe de marineman het vrouwtje stijver drukte tegen zijn zijde, zodat ze omboog en lachte.
En toen gebeurde het.
Een klein meisje kwam aanhollen van de kant van