Op de krant tikte Johan zijn derde feuilleton over zijn ervaringen en avonturen op de Prinsengracht. Het was elf uur: juffrouw Moske kwam de koffie brengen. Ze was weer wat beter verzorgd. Haar krullen waren alweer opgebouwd en haar ogen stonden levendiger. De proef was blijkbaar gelukt.
—■ Als ik gewoon doe en niets merk en niets vraag, zal ze misschien denken: hij is er zeker toen net niet geweest en ze zal zich daaraan vastklampen, had Johan gedacht.
Inderdaad: juffrouw Moske was weer „bijgekomen!” Ze zette de koffie neer en verdween. Rustig, bijna geruisloos, terug in haar evenwicht. Naar nieuws vroeg ze nog niet...
— We vinden onszelf altijd terug, dacht Johan. B ij n a altijd, verbeterde hij zichzelf, terwijl hij de koffie dronk. En als het niet wil, vertellen we onszelf een sprookje, dat we dan natuurlijk geloven. Ook een soort existentialisme. In elk geval: behaviorisme.
Die morgen had de dokter hem verteld, dat Milly gered was. Ze was nog zeer zwak, maar ze zou het halen.
— Mag ik komen? had Johan gevraagd.
—■ Wacht u liever nog even, was het antwoord geweest. Ze heeft nog naar niemand gevraagd. Daarom, begrijpt u wel?
Johan had zwijgend de haak neergelegd. De dokter had het begrepen, hij wist alles, dat was duidelijk. Waarom dan verder praten?
De telefoon ratelde. Het was Gijs, de huisbaas van de Prinsengracht.
— Ik heb een pakje voor u hier, meneer. Ik moest