De wagen van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst had Milly weggehaald. Het was zojuist gebeurd toen Johan thuiskwam. Boven liep Fien, het dienstmeisje met roodbehuilde ogen. Toen ze hem zag, begon ze plotseling weer schokkend te snikken. Ze vertelde, dat ze om zeven uur was opgestaan net als altijd.
— Maar toen ik beneden kwam, lag mevrouw in de gang, vlak voor de slaapkamerdeur, meneer en het was verschrikkelijk om te zien. Haar ogen waren wijd open, maar ze hoorde niets van wat ik zei en ze had verschrikkelijk diepe, blauwe kringen onder de ogen. Ik wist niet wat ik moest, meneer! Ik dacht, dat u nog sliep, maar u was er niet en toen heb ik de buren gewaarschuwd en die zeiden, dat ik niets mocht doen, want dat het allemaal wel heel verkeerd kon zijn. Ik heb toen dokter Wijnands, hier op de hoek, opgebeld en die was gelukkig nog thuis, want die had spreekuur van het fonds. Die kwam dadelijk en die heeft de G.G.D. opgebeld, ’t Was vergiftiging, zei hij. Hij geloofde niet...
Weer begon ze te huilen.
—• Wat geloofde hij niet? Toe nou, Fien!
— Hij dacht, dat mevrouw dood was, meneer, maar dat was niet zo, maar...
—■ Waar hebben ze mijn vrouw heengebracht?
— Naar het Wilhelminagasthuis, meneer.
Johan vloog naar de telefoon. Ja, er was een dame
binnengebracht. Paviljoen drie, de afdeling voor zenuwzieken.
—■ De dokter, geef me asjeblieft de dokter!
Hij kwam er niet verder mee. Er viel nog niets te zeggen. De toestand van de patiënte was zeer gevaarlijk. Nee, bezoek kon zeker niet worden toegestaan.