Hij kreeg geen antwoord.
— Ik waarschuw je voor de laatste keer. Als je me de sleutel niet dadelijk geeft, zal ik hem nemen!
Ze bleef zwijgen. Hij stond op en kwam naar haar toe. Toen hij vlak bij haar was, sprong ze op van de divan en vluchtte naar de hoek van de kamer. Ze drukte zich tegen de muur: — Niet slaan! Niet slaan!
—• Geef me de sleutel.
Ze tastte in de zak van haar kimono en reikte hem met gestrekte arm de sleutel. Hij nam die en draaide zich om.
— Ik... ik heb het niet zo bedoeld. Ik zou je toch graag nog even spreken.
— Zeg dan snel wat je te zeggen hebt, want ik heb weinig tijd meer.
— Ik had je willen zeggen, dat ik niet meer van je hou en dat het dus beter is als we elkaar niet meer zien.
Haar stem klonk koel nu en beheerst.
— Ik zou dat ook begrepen hebben als je het niet gezegd had. De mededeling lijkt me daarom volkomen overbodig.
— Er wordt zoveel overbodigs gezegd tegenwoordig, dat dit er dunkt mij nog wel bij kan. Overigens verschil ik met jou van mening op dit punt. Er zijn dingen, die men wel weet, maar die toch beter ook nog gezegd kunnen worden. Het is eerlij ker ook en ik wilde graag eerlijk blijven tegenover jou. Ik ben dat altijd geweest en ik ben daar blij om.
— Ik vind het erg prettig, dat je voldaan bent over jezelf. Overigens weet je, dat ik nooit verondersteld heb, dat dit tussen ons lang zou duren. Het heeft mij al zeer verwonderd, dat we het zolang volgehouden hebben als we gedaan hebben.
—■ Wil je me een hand geven?
— Natuurlijk. Waarom niet.
Ze kwamen elkaar tegemoet en hij strekte zijn hand uit. Ze vloog om zijn hals en zoende hem wild.