Huib en Matje waren al wandelend op het Leidse-plein terechtgekomen.
— Ga mee, zei de ziener. Ik weet hier in de buurt een tent waar de borrel veertig cent kost.
Hij nam de acteur mee naar een klein barretje achter het City-theater. Toen ze binnenkwamen, zagen ze juist de barkeeper in witte woede een fles opheffen met de kennelijke bedoeling daarmede een heer te bewerken, die bleek lachend op een krukje voor de toonbank zat.
Een klant greep de arm van de barkeeper maar de man trachtte zich los te worstelen.
— Ga deruit, natte mug, schreeuwde hij tegen het mannetje. De hele dag zit die droge muilezel al op de kruk te kijken en hij zegt niks en hij drinkt niks. La me los! Ik sla hem een deuk in zijn lege schedel!
Er kwam nog een klant bij, die ook aan een redevoering begon en de man, die het aanging zat geïnteresseerd af te wachten.
— Ga nou vanzelf weg, zei een derde, maar de plakker schudde droefgeestig het kleine hoofd.
— ’k Zou niet wete waarom, zei hij. Ik zit goed!
Achter de toonbank vochten de barkeeper en de
twee klanten en hoog boven hun hoofd zweefde de fles, die de barkeeper nog steeds vasthield. Toen kwamen er uit een hoek twee jonge kerels, die de man op de kruk opnieuw zacht en dringend interviewden over zijn plannen voor de naaste toekomst.
— Ik blijf! Ik zit goed! zei hij koppig.
Toen namen de twee hem op en droegen hem eruit. De barkeeper sputterde en sproeide nog wat na over naakte luizen en kale wurmen, die maar zitten en schonk zich vervolgens een borrel in.