zin van de godsdienst. Ik ben niet zo opgevoed en ik leef zoals ieder ander mens leeft. Ik doe aan al die dingen van het jodendom niet, maar dat is het niet. Het gaat om het kind, dat moet u goed begrijpen. Als hij het woord jood hoort, wordt hij bang. Dan kruipt hij bijna weg en een tijdje later begint hij dan: wanneer hij nu naar school mag om priester te worden, want dat dan alles over is en dat hij dan geen jood meer is, omdat dan de zonde opgelost is of zoiets. Ik weet niet wat ik moet, meneer! Als ik ergens met hem ben, waarschuw ik de mensen altijd: zeg niets over joden of over de oorlog of over onderduiken, want dan heb ik de eerste uren en dagen geen leven. Ja, ik weet wel, dat het gek is, dat ik daarmee hier......
— Het is niet gek, stelde Matje haar gerust. Hier komen alle mens en zij zeg mij hun moeilijkheden.
— Wat moet ik doen meneer? U kent de mensen en u kent beter dan ik de weg.
— Uw kind heeft een, wat wij noem, complex. Een angstcomplex en dat zal niet beter worden als zijn moeder ook heeft een angstcomplex. Kij vertelt mij, dat kij zijt kenees van die shock en kij moet nu kenees het kind van zijn ziek zijn, want dat is ziek, kij bekrijp? Kij kaat het probleem uit de weg en dat is uw fout. Het best zou zijn, kij kaat naar een psychiater, maar dat is niet nodig absoluut. Er is een weg en die kij moet probeer. Door het niet praat over iets, dat de ander hindert, ik meen door die duidelijkheid waarmee men daar niet over praat, die kevoeligheid van die ander wordt kroter. Kij bekrijp?
—■ Ik geloof het wel, meneer, maar als ik erover ga praten, weet ik zeker, dat hij nóg banger zal zijn.
— Kij kunt praat zó en kij kunt praat zó! Er is één ding, dat ieder mens moet leer en dat veel nog nooit heb keleerd. Dat is, dat de mens niet zit in die kleur van die huid of die ras maar in de mens zelf. Hij is mens of hij is niet. Ik weet kij wilt zeg. Zij heb dat niet keleerd in Amerika met die negers en zij heb dat