vorige avond, het verhaal van de dominees-theorie over het baantje. Hij hoorde Johan weer vertellen van die feuilletonredacteur, die „zo’n stapel” korte verhalen had liggen van „uitslovers” dingen, die hij niet las „omdat er toch niets bij was!” Hij dacht aan zijn vele ruzies met collega’s, die altijd beweerden „dat er in Nederland geen toneel geschreven werd”, terwijl hij wist, dat de toneeldirecteui’en niet eens de moeite namen om te lezen wat werd ingezonden. Hij dacht aan het verhaal van de jonge journalist, die eens aan een bekend schrijver had gevraagd: Hoe kan ik een toneeldirecteur ertoe bewegen om mijn werk te 1 e -zen? Een vraag, waarop de schrijver geantwoord had: Door bekend te worden! „En hoe word ik bekend?” was de volgende vraag geweest. „Door gespeeld te worden!”
Overal de zelfgenoegzaamheid, de dikke, volle, vette, vuile voldaanheid van de lui, die „het baantje” hadden en daarmee de macht. Dat baantje was de kurk waarmee elke herinnering, elk gevoel van meeleven, elke werkelijke interesse werd afgesloten!
Met grote passen liep Huib voort tot „de Kei” en toen terug. Een paar dagen geleden had een jong acteur, een „losse” voor het hoorspel, tegen hem gezegd: Huib, ik wou, dat ik multi-millionnair was! en toen had hij gelachen, maar de ander had hem gepareerd: Nee, zo bedoel ik het niet. Het is niet om het geld! Als ik het geld had, zou ik de beste acteurs en actrices samen brengen in één prachtige troep en de kleinste rollen zouden nog door eersterangs krachten bezet zijn en dan zou je eens zien, dat er in Nederland toneel gespeeld kan worden!
—■ En als hij het werkelijk zou hebben, zou hij misschien na een paar maanden net zo indolent, net zo moe, net zo voldaan en net zo tevreden zijn met zichzelf als al die anderen nu!
—■ Lieve God, wat zijn we toch eigelijk een soep-zoodje met elkaar, zuchtte hij. Is dat nou de bedoeling?