De chef Kunst van de krant was een man, die precies wist of een bepaald boek in 1763 of in 1764 was verschenen en die het iemand, die zich daarin vergiste, zeer kwalijk nam. Dat genre lieden is een soort en die soort groeit. Hij had ook wel eens een gedicht gepubliceerd, evenals zijn collega’s redacteuren van week-en maandbladen en- Kunstrubriek-chefs. Als ze over elkaar schreven (en ze deden dat natuurlijk vrij regelmatig) noemden ze elkander „de dichter Die en Die”. Soms met „jonge” erbij of „veelbelovende” of iets dergelijks nets en eervols. Ad naar gelang ze elkander meer of spoediger of dringender nodig hadden.
De man was knap d.w.z. hij had de literatuur zeer ijverig en buitengewoon grondig bestudeerd en hij wist altijd zeer precies, wat deze of een andere grootheid van dit of dat werk had gezegd of geschreven. Hij kende de zestigers en de tachtig- en negentigers van voren naar achteren en van boven naar beneden en hij wist van alle moeilijkheden, waarmee de auteurs gestreden hadden, alle details. Zelf had hij geen moeilijkheden. Dat hebben deze lieden bijna nooit. Ze kennen en weten alles en demonstreren dat geregeld en met een benijdenswaardige volharding.
Johan had een hekel aan hem. Hij sprak altijd zo precies en correct en hij zag er altijd — en dat was het ergste! — zo verschrikkelijk schoon gewassen uit! Alsof hij zojuist weer nieuw was opgewreven. Zo door en door Nederlands zindelijk en heel en gepoetst.
Die morgen kwam de man hem een brief brengen, die tussen zijn correspondentie was geraakt.
—• Op de postkamer hadden ze natuurlijk weer geen ogen, zei hij en Johan knikte.
— Ze hadden er zeker je-weet-wel in, antwoordde