263.
13b. Vormen van permanent leren, waarbij informeel geëvalueerd wordt, zijn ondermeer (l) samen leren, (2) over het geleerde praten, (3) omgaan met gave mensen en (4) tot zelfkennis en zelfontplooiing komen. Bij de laatste vorm staat ontzag en de analyse van de daden van de leerling door hemzelf en door anderen (kritische vrienden^ ) centraal.
13c. Een maat voor de gaafheid van de leerling is de vreugde, waarmee hij leert (zijn geluksbeleving).
14a. De mens is in de eerste plaats leerling en in de tweede plaats leraar.
14b. Een leraar die zelf niet meer leert, zal op een gegeven moment niet meer in staat zijn om goed te onderwijzen.
15a. Leerling en leraar zijn partners, zowel in het leren (allebei
leren ze) als in het onderwijzen (ze leren van elkaar) als in het doen (allebei proberen ze de schepping en de wereld te onderhouden en te verbeteren) en dit 'partnership' bepaalt de manier waarop ze met elkaar omgaan.
15b. De relatie tussen leraar en leerling is op drie manieren te karakteriseren:
(1) als een relatie van sympathisch partnerschap,
(2) als een asymmetrische relatie met symmetrische momenten,
(3) als een persoonlijke gespreksrelatie.
15c. In de relatie tussen leraar en leerling wordt de Torah geconserveerd en gefnnoveerd, en niet in onderwijsprocedures, onderwijsmethodes of didactieken. Deze laatste zijn nooit primair, maar altijd afgeleid van de relatie tussen leraar en leerling.