minst in anticipatie op discriminatie en vervolging.
Veel mensen hebben thuis ingeprent gekregen dat je altijd met schoon ondergoed aan het huis uit moet gaan, want je zou weleens in het ziekenhuis kunnen belanden, en wat een schaamtevolle situatie als je dan geen schoon ondergoed aanhebt! Op ongeveer dezelfde manier krijgen kinderen van getraumatiseerde ouders raadgevingen mee die hen moeten voorbereiden op ‘oorlogssituaties’. De tweede generatie klaagt er vaak over (en de eerste generatie zegt het vaak ook zelf) dat de ouders zo weinig over hun oorlogservaringen hebben verteld of vertellen. De reden die de ouders daarvoor geven is meestal dat ze hun kinderen niet met hun verhalen willen belasten. Er is geen reden aan hun oprechtheid in dezen te twijfelen.
Maar wat heeft het ook voor zin over oorlogservaringen te spreken? Een van de reden om te spreken: het delen van de ervaring om hem zo beter te verwerken, is nauwelijks legitiem in de ouder-kindrelatie. Want om te verwerken moet er naast het vertellen ook sprake zijn van een zekere emotionele ontlading, en die is in de ouder-kindrelatie niet op zijn plaats. Terwijl over de ervaringen spreken zonder emotionele ontlading niet veel zoden aan de dijk zet. Vandaar, maar dit terzijde, dat sommige ouders die wél praten maar feitelijk zonder emoties, alsmaar hetzelfde herhalen en geen steek verder komen met de verwerking.
De tweede reden om over oorlogservaringen te spreken met de kinderen zou kunnen zijn de wens iets over te dragen van de levenservaringen. Echter, het is onwaarschijnlijk dat de kinderen veel kunnen leren van de ervaringen die hun ouders hebben opgedaan in het concentratie-/vernie-tigingskamp of in de onderduik. Over wat ze écht hebben meegemaakt, spreken de leden van de eerste generatie dus inderdaad niet of nauwelijks.
Toch spreken veel ouders wel over hun ervaringen. Ze