een sjoeldienst. Over de procedures van overgang tot het jodendom wordt tussen orthodoxen en liberalen dus bitter gevochten. Het is een heel naar en bitter gevecht.
Dat gevecht wordt gecompliceerd door de staat Israël, die er zijn eigen regels op na houdt. Israël heeft zijn grenzen geopend voor ieder die op grond van de Neurenberger wetten zou zijn vervolgd door de nazis en hun handlangers. Dat wil zeggen dat iedereen met niet meer dan één joodse grootouder van de staat Israël het Israëlische staatsburgerschap kan verlangen. Dat houdt onder meer in dat mensen als Israëlisch staatsburger in het leger kunnen dienen, voor het land kunnen sneuvelen, maar vervolgens niet op een joodse begraafplaats kunnen worden begraven omdat ze volgens de halachische normen, de duizenden jaren oude normen die nog in ere worden gehouden door de orthodoxe joden, niet joods zijn. Ook dit soort toestanden leidt tot bittere conflicten.
Wie hoort erbij, wie niet, op welke voorwaarden, wie mag de voorwaarden opstellen, wie mag ze controleren, wat is de legitimatie van de voorwaarden, wie doet uitspraak over de schemergevallen? Over die vragen wordt door joden met het mes op tafel een strijd uitgestreden. Soms vindt u daarover verslagen in de Nederlandse kranten.
‘We-ahavta et hageer gij zult de vreemdeling liefhebben. Best, vanzelfsprekend zelfs, maar de vraag is ook: hoe moet de liefde zijn van de geer voor mijn traditie, voor mijn beschaving, voor mijn normen en waarden opdat ik hem of haar als een van ons kan zien? Moet ik van hem of haar eisen dat hij leeft zoals wij joden vierduizend jaar hebben geleefd, terwijl ik zelf niet meer zo leef? Moet ik van hem of haar eisen dat hij of zij zich neerlegt bij het oordeel van de rabbijnen, terwijl ik me aan hun oordeel niets gelegen laat liggen? En welke rabbijnen ken ik gezag toe: de orthodoxe