Mijn minnaar moet eerdaags zijn sleutels inleveren. De laatste woorden die ik sprak voordat ik mij aan zijn liefkozingen overgaf waren: ‘Ik ben niet goed in seks.’ Ook hij fluisterde woorden die als appels van een boom vielen: dat gaf niets. ‘Ik ben er heel erg goed in.’
We zaten op een bankje. Ik had mijn mooie zwart fluwelen jurkje aan, en hoge hakken. God mag weten waar ik vandaan kwam, of naartoe ging.
Hij wist heel goed waar hij naartoe ging, dacht mijn van eigen kunnen overtuigde macho.
Kalf, gebonden op de wagen, op weg naar de slacht, en de wind die lacht en lacht.
This morning my belly exuberates ice, blood and warmth
Ik zei nog: ‘Ik wil geen relatie, ik heb schoon genoeg van relaties. Het is zó prettig ’s ochtends alleen wakker te worden, daar heb je geen idee van.5
My lover has left me
Het woord ‘minnaar’, hij had het zó goed gekozen. ‘Minnaar’, een woord, achtergelaten - in de tijd - omdat mijn geopende hart scheurde en scheurde, tot God zelf er aan te pas moest komen om me de verkeerde richting uit te sturen. Ik stond voor het kleine raam van de dakkapel en wachtte, er zeker van dat ik het scheuren van mijn hart niet veel langer zou kunnen verdragen.
Ik was te jong om te weten dat een scheurend hart onvergelijkelijk veel beter is dan een dood hart, en ging weg, van de dakkapel met het venster op mijn verlangen.
This morning the stars of my ears gather musk and red turtles