cHoud je nog steeds niet van mensen?’ De eerste goeroe is de moeder, ook haar woorden zijn waarheid, ook haar woorden zijn vergif.
This morning I cover my hands and my sky with black lace
Klein was ik. Zo klein als een kind is wanneer het wordt gevraagd: wat wil je later worden? ‘Dierenarts.’ ‘Waarom wil je dierenarts worden?’ ‘Ik wil zieke dieren helpen?’ ‘Wil je dan geen dokter worden?’ ‘Nee wil ik dieren helpen, geen mensen.’ ‘Waarom wil je geen mensen helpen?’ ‘Mensen zijn niet dankbaar.’
My lover has left me
‘Houd je niet van mensen?’
This morning the dust on my toes is like golden flamingo's
‘Nee, ik houd niet van mensen.’ De vraag van een moeder, het zaad der verwoesting, het antwoord van haar kind, de ploeg waarmee het zaad ondergeploegd wordt onder de aarde van zijn persoonlijkheid, woorden als zevenblad, woorden die wortels krijgen naar eerdere generaties, naar de herinneringen van de doden, woorden die tot planten worden die overal opduiken, steeds in een andere toe-komsttuin, het voedsel wegnemend van wat tot bloei moet komen, de plaats innemend van wat vruchtbaar gewas moest worden. De vraag van de moeder, zaad, het antwoord van het kind, de ploeg. Hoe had het kind tegen de moeder kunnen zeggen: ik houd niet van jou, jou wil ik niet helpen, want jij bent niet dankbaar?