kracht van die ene pool van het jodendom: het joodse volk. En het revolutionaire van het zionisme was dat het de begrippen ballingschap, exodus en verlossing wist te seculariseren in de tijd dat het joodse volk het jodendom als religie liet vallen. De ballingschap werd niet meer geïnterpreteerd als straf van God voor het niet-naleven van de mitswot te enigertijd in de joodse geschiedenis (een joodse geschiedenis die los stond van de niet-joodse geschiedenis), maar als het resultaat van sociaal-economische ontwikkelingen in de maatschappijen waarvan joden en niet-joden tegelijkertijd deel uitmaakten. De exodus kreeg zowel een niet-zionistische als een zionistische invulling. De niet-zionistische invulling was de sociaal-economische ontwikkeling van de joden in de maatschappij waar zij leefden; de zionistische invulling van het begrip ‘exodus’ was het vertrek uit de landen waar zij woonden naar een land waar zij opnieuw eenheid en onafhankelijkheid zouden kunnen ervaren en creëren.
Ook de verlossing kreeg een niet-zionistische en een zionistische invulling. De niet-zionistische verlossing was het ideaal van volledige assimilatie. De zionistische interpretatie van verlossing was het ideaal van te worden tot een normaal volk, een volk zoals alle andere. Zou het joodse volk in zijn eigen land eenmaal tot een gewoon volk zijn geworden, dan zou het verlost zijn van zijn uitzonderingspositie in de geschiedenis en zo verder zijn gevrijwaard van de vervolging die het lot is van de vreemdeling.
Joden trokken naar erets Jisraeel, het land Israël, en hun streven naar eenheid en onafhankelijkheid werd gehonoreerd in de stichting van de staat. Maar in Israël waren de seculiere zionisten niet alleen. Ten eerste waren er de orthodoxe joden die van oudsher in het land woonden en die fel gekant waren tegen het zionistische streven, dat zij als een