Let wel, het jodendom bestaat uit twee polen. Een volk, de ene pool, en zijn manier van leven, de tweede pool. Die manier van leven werd, tot de secularisatie inzette, totaal bepaald door de relatie tot het Goddelijke. Die relatie was bijzonder, niet vanwege de individuele beleving van de jood van zijn God, maar juist vanwege de invulling van alle aspecten van het leven op grond van de halacha. De discussie gaat echter altijd over de kip en het ei van het jodendom. Was er eerst een joods volk en daarna pas de geopenbaarde wet, of was het de geopenbaarde wet die de benei Jisraeel, de zonen van Israël/Jakob, maakte tot am Jisraeel, het joodse volk?
Ik houd het meest van de opvatting waar het joodse volk het eerst op het toneel verscheen, vóór de wet. Dat komt door een zinnetje dat me dierbaar is. In het verhaal over de uittocht van de benei Jisraeel uit Egypte, staat vermeld dat zij niet alleen waren. Een, vrij vertaald, ‘zootje ongeregeld’ trok met hen mee. Dat zootje ongeregeld stond ook bij de berg Sinaï, en deelde ook in de openbaring van de wet en maakte later ook deel uit van het joodse volk. Zou het niet prachtig zijn geweest als de rabbijnen van weleer deze situatie hadden benut om de etnocentrische gevoelens van het joodse volk te bestrijden. Welk een mooier gelegenheid zou er niet zijn dan dit zinnetje om erop te wijzen dat het joodse volk niet ‘zuiver’ is? Helaas, die gelegenheid hebben ze niet aangegrepen. Integendeel, voor zover er slechte tendensen in het volk waarneembaar zijn, of slechte individuen, worden deze juist toegeschreven aan ‘het zootje ongeregeld’ in het joodse volk. Zouden zij er niet zijn, dan zou het joodse volk zich goed gedragen, dan zou er, kortom, van ballingschap geen sprake meer zijn geweest. Niet iets om trots op te zijn, deze verklaringen.
Maar hoe dit zij, het zionisme, de nationale bevrijdingsbeweging van het joodse volk, kon ontstaan dankzij de