zijn schepping als systeem opgebouwd, zodat het scheppingsproces door en door en door kan gaan, of de mens houdt zich niet aan een opdracht van het Goddelijke om niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Ongehoorzaamheid leidt tot kennis van goed en kwaad en de kennis van goed en kwaad leidt tot de eerste ballingschap. Het paradijs van de onbevangenheid moet worden verlaten. Bewustzijn maakt een einde aan de onbevangenheid, bewustzijn leidt tot vervreemding, de eerste mens is niet meer helemaal thuis. In zijn geestelijke bestaansvorm, om met Kertész te spreken, is het element van vervreemding geslopen; de aarde met alles erop en eraan is geen beschermende en voedende tuin meer, maar een vlak waarover hij wordt voortgedreven.
Ook in de generatie daarna is er sprake van ballingschap. Kaïn vermoordt zijn broer Abel en wordt uitgestoten. Ook zijn lot is het voortgedreven te worden over de aarde, slechts onder de bescherming van een teken dat God in zijn voorhoofd heeft gekerfd.
De derde die alles moet achterlaten is Noach. Hij verlaat niet alleen zijn geboortegrond, hij moet aanzien hoe er van de aarde niets overblijft, hoe de aarde waarop hij thuis was, wordt vernietigd.
Ook Abraham moet zijn geboortegrond verlaten. Dit keer niet als straf, maar vanwege een belofte. Wat achtergelaten wordt is niet het paradijs, zoals bij Adam, een paradijs waar een weerspannige aarde voor in de plaats komt, nee, Abraham verlaat een geboortegrond waar weliswaar afgoden worden aanbeden, maar die daarom niet wordt vernietigd. Maar wat er voor in de plaats komt, is een ongekend land dat hem zal worden toebedeeld. Wat essentieel is in het jodendom is dat het land dat de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob wordt beloofd, geen vanzelfsprekend bezit is van het joodse volk. Het land is beloofd, het land is