keurig leest. Blijkbaar verschilt zij in de afwijzing van de vreemde niet van andere volkeren. Ik kan er slechts trots op zijn dat de genegenheid voor de vreemde zo vaak in Tanach wordt bevolen en dat mijn volk blijkbaar niet blind is voor zijn eigen neiging tot afkeer van de vreemde. Maar het is wel een ongemakkelijke trots. De etnocentriciteit die het nationalisme zo’n kwaad aura geeft, zit wel degelijk in Tanach besloten, al worden de tegenkrachten tegelijkertijd in Tanach gemobiliseerd door de herhaalde opdracht de vreemdeling lief te hebben, en door alle wetten die de rechtspositie van de vreemdeling beschermen.
Er zijn andere zaken om trots op te zijn waar het het nationale bestaan betreft van mijn volk. Zo is het geen geringe prestatie, denk ik, om een groep van stammen tot een natie aaneen te smeden. Afrika bevindt zich heden ten dage in zijn deplorabele toestand mede omdat het dat soort nationale eenheden niet heeft weten te scheppen. Het stamverband en de loyaliteit aan de stam gaan boven alles en vernietigen het vermogen om meer overkoepelende belangen te erkennen. De fout om de stam tot de belangrijkste eenheid te blijven verheffen, is het joodse volk bespaard gebleven. Waarbij natuurlijk moet worden aangetekend dat we van de twaalf stammen er tien zijn kwijtgeraakt en het met slechts twee stammen aanzienlijk gemakkelijker is de notie van natie tot het kristallisatiepunt van de loyaliteit te maken.
Drie begrippen zijn nauw verbonden met het nationale bestaan van het joodse volk: ballingschap, exodus en verlossing. De ballingschap begint al in de pre-joodse fase. Adam, zijn naam is afgeleid van het woord adama, aarde, wordt verbannen uit het paradijs. God heeft de aarde geschapen met alles wat erop en eraan is en heeft keer op keer verklaard dat zijn schepping goed is. Maar nauwelijks heeft hij