een religieus aspect en een vervolgingsaspect, maar het nationale aspect was aan mijn zicht onttrokken. Ik schaamde me - in zekere zin - voor het zionisme, kon het niet zien als de nationale bevrijdingsbeweging van mijn volk. Het bestaan van Israël was me wel dierbaar, maar de ideologie die aan dat bestaan ten grondslag lag - anders dan de rechtvaardiging van Israël op grond van de Holocaust - die ideologie sprak me niet aan. Ik vond het zionisme een particularistische manier van denken, terwijl ik in een universalistische manier van denken geïnteresseerd was. Ik meende nog dat het een het ander uitsloot.
Dat denk ik nu helemaal niet meer. De verscheurdheid die ik voelde in 1974, voel ik echter nog steeds. Ik reisde toen over de Westelijke Jordaanoever en voelde hoe het glooiende ‘Arabische land’ van ver kwam aanrollen naar de zee, om plotseling te stuiten op dat kankergezwel Israël met zijn betonnen moderniteit. Israël voelde als een Fremdkörper. Maar de feodale verhoudingen op het Arabische land, waar vrouwen gebogen over de gewassen werkten, terwijl een enkele man op een stoeltje erbij zat te roken en de vrouwen onder toezicht hield, stuitte me al evenzeer tegen de borst. En hoezeer het moderne Israël ook niet aan mijn romantische normen voldeed, ik voelde me er wel thuis, en veilig, en ik was wel trots op wat er was gepresteerd met het scheppen van een socialistische leefwijze in de kibboets waar ik woonde.
Een en ander liet me verscheurd achter, zoals ik al vertelde. En die verscheurdheid is nooit weggegaan. Nog, als ik in het Arabische gedeelte van Jeruzalem loop, denk ik, zoals ook de schrijver David Grossman het heeft beschreven, dat Israël zó zou moeten zijn als we daar aantreffen, maar tegelijkertijd kijk ik onophoudelijk naar de handen van de Palestij nen die ik op mijn weg aantref - hebben zij een mes in de handen of niet? En als ik de joodse wijken in loop, vind