nog geen wereld met joodse soldaten. Mijn joodse identiteit als een morele identiteit was mij heilig.
Dat kwam ook voort uit een absoluut anti-nationalistische opvoeding. De gevaren van nationalisme werden me met de paplepel ingegoten. Dat ging zo ver dat ik ook afstand leerde houden van alles wat maar op nationalisme leek of daartoe kon leiden. Zo deed ik niet aan sport, ging niet op een sportvereniging, want dan zou ik in een situatie kunnen komen dat ik clubliederen zou moeten meebrallen en de waardigheid van de tegenstanders uit het oog zou verliezen. Bijvoorbeeld. Maar mijn afwijzing gold niet alleen niet-joodse sportclubs. Ik ging ook niet naar joodse of zionistische clubs, want ook daar zou ik geïnfecteerd worden met nationalisme.
Zelfs in 1983, toen ik als correspondent in Israël woonde en daar een spoedcursus Hebreeuws deed, weigerde ik de Israëlische en joodse liedjes te leren zingen die als onderdeel van de cursus werden aangeboden. Ik moest niets hebben van dat nationalistische gedoe. Zelfs op momenten dat ik de liederen wel wilde leren zingen, omdat ze gewoon leuk en aardig zijn, kon ik het taboe daarop niet doorbreken. Ik heb ze niet geleerd.
Ik wil nog even terug naar 1974. Niet alleen was ik absoluut anti-nationalistisch, ik was ook zeer links. De idee van een joodse staat stond me allerminst aan. Ik voelde, als intellectueel, veel meer voor een seculiere staat, waarin jood en Arabier en Druus in gelijkheid zouden kunnen leven. Ik moet erbij zeggen dat het hele begrip van een joods volk’ mij toen erg vreemd was. Ik was jodin, maar de notie tot het joodse volk te behoren stond erg ver van mij af. Ik was Nederlandse, dat was mijn nationaliteit, en ik was jodin, dat was een identiteit die uit twee aspecten was opgebouwd: