waar mijn kind slaapt, dan sla ik niet terug met een fantasie van geweld van de soort die iedereen mooi vindt in romans en films. (...) Nee. Ik ben iemand die het werkelijk bestaande geweld van de vijand tegemoettreedt met mijn werkelijk bestaande geweld, en ik maak me niet druk over de goedkeuring van Time magazine.’
De overlevende van Kertész en de rabbijn-kolonist van een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever zijn wel heel verschillende joden.
Bij de tweede, een van de figuren uit het boek van Philip Roth, is het nationalisme tot de kern van zijn ‘geestelijke bestaansvorm’ geworden. Zo na als Kertész’ verteller mij staat, zo ver was ooit deze figuur uit Roths boek van mij verwijderd. Zeker toen ik jong was.
Toen ik in november 1974 vanuit het vliegtuigraampje voor het eerst een blik richtte op vliegveld Ben Goerion, dat toen nog Lod heette, barstte ik in huilen uit. Onder aan de vliegtuigtrap stond een soldaat, een Israëlische soldaat, gewapend met een geweer. Het beeld van die soldaat werkte als een bom die mijn geestelijke bestaansvorm’ deed exploderen. Een jood met een geweer, ik kon het niet verdragen dat te zien. Een jood als machthebber, alles in mij verzette zich ertegen. Een geweer en macht vormden één associatie. ‘Jood’ en ‘macht’ waren voor mij twee begrippen die - het zal de verstokte antisemiet tot een grijnslach bewegen - elkaar totaal uitsloten. Joden hadden geen macht, wilden geen macht, mochten geen macht willen. Het beeld van de soldaat met het geweer vernietigde alles wat me lief was. Namelijk, het ideaal van ‘niet door het zwaard’ te leven, het vernietigde het ideaal van te overleven puur op basis van morele integriteit. Zelfs na alles wat ik wist over de Sjoay de Grote Moord op de joden, wenste ik twintig jaar geleden