kolonist op de Westelijke Jordaanoever. ‘Achter al je diepzinnigheden, achter het freudiaanse slot waarvan jij ieders leven voorziet, ligt een andere wereld, een grotere wereld, een wereld van ideologie, van politiek, van geschiedenis -een wereld van dingen die groter zijn dan de keukentafel. Je bent er vanavond nog geweest: een wereld die wordt gekenmerkt door actie, door macht, waarin de manier waarop je Pappie en Mammie een plezier wil doen er domweg niet toe doet. Het enige wat jij ziet is ontsnappen aan Mammie, ontsnappen aan Pappie -- waarom zie je niet waarhéén ik ben ontsnapt?’
Ik zal nog een citaat geven uit The Counterlife dat haaks staat op de beschrijving van de joodse identiteit en de verdediging daarvan zoals Kertész hem geeft. De geestelijk leider van de kolonisten is aan het woord. ‘Wreed? Ja, dat is waar. We zijn niet als de intellectuele goedzakken en de menselijke, aardige gozertjes die de diaspora-mentaliteit hebben. We zijn geen gepolijste mensen en we zijn erg slecht in het produceren van een beleefde glimlach. Alles wat Daphna zegt is dat we de luxe niet hebben van jullie Amerikaans-joodse schrijvers om je te laten gaan in fantasieën van geweld en macht. De jood die een schoolbus rijdt langs Arabieren die stenen gooien tegen zijn voorruit, droomt niet van geweld, hij weet zich geconfronteerd met geweld, hij vecht tegen het geweld. We dromen niet van macht - we zijn macht. We zijn niet bang om te overheersen teneinde te overleven, en om het nogmaals zo onverteerbaar mogelijk te formuleren, we zijn niet bang om de meesters te zijn. We willen de Arabieren niet verpletteren -we willen hun alleen niet toestaan ons te verpletteren. Anders dan de aardige gozertjes en de goedzakken die in Tel Aviv leven, heb ik geen Arabierenfobie. Ik kan naast hem leven, en dat doe ik ook. Ik kan zelf met hem spreken in zijn eigen taal. Maar als hij een handgranaat gooit in het huis