mende wereld, of men de olam haba nu plaatst in deze wereld, nadat de messiaanse tijd is aangebroken, of over de grenzen van de dood.
Het boek van Kertész pleit voor het bestaan van de jood als degene die zich verzet tegen de instrumentalisering van het leven én tegen de instrumentalisering van de dood. De hoofdpersoon ziet ‘Auschwitz’ als de verheviging van wat hij in zijn opvoeding heeft meegemaakt. De patriarchale, autoritaire opvoeding van zijn vader en van het internaat waar hij naartoe werd gestuurd, heeft alle leven uit hem geslagen. Iedere levende impuls werd onderdrukt. Als zodanig, stelt Kertész, was die opvoeding een perfecte voorbereiding op het leven zoals hij dat in de kampen moest leven. Zijn overleven is een daad van verzet, louter en alleen bedoeld om aan te duiden dat er nog een andere manier van leven mogelijk zou moeten zijn, een manier van leven die de authenticiteit van het kind, van de mens, niet onderdrukt maar tot bloei laat komen.
Op een eerder punt in het boek geeft Kertész een meer filosofische definitie van wat een geestelijke bestaansvorm is. Een geestelijke bestaansvorm, zegt hij, is ‘niets anders dan een verklaring, een reeks verklaringen, verklaringen die het feit zo grondig verklaren dat er niets meer te verklaren valt, die het al verklarende als het ware vernietigen, althans verhullen.’
Henry, de hoofdpersoon van The Counterlife van Philip Roth, heeft zijn buik vol van verklaringen die alles wat ze moeten verklaren vernietigen. Ik citeer hem als hij zich probeert te verdedigen tegen de nieuwsgierigheid van zijn broer, als deze wil weten waarom hij zijn leven als tandarts in de Verenigde Staten heeft opgegeven voor een leven als