raëli s, zijn wat dat betreft misschien maar een aberratie in de joodse geschiedenis, een uitzondering, en zelfs bij hun bereidwilligheid de vijanden eens en voorgoed uit te schakelen kunnen vraagtekens worden gezet.
Over naar Het verstoorde leven zelf. De brieven die Hillesum schrijft uit Westerbork, gebundeld in Het denkende hart van de barak vind ik prachtig. Maar Het verstoorde leven is een dagboek dat ik toch vooral met veel argwaan, scepsis en verbijstering lees. Dat is ook de reden van mijn kritiek op Herzbergs analyse. Net als toen het uitkwam, had ik bij het herlezen de reactie: waar gaat dit echt over, waar komt al die heisa vandaan? Waar anderen spreken over diepe inzichten en een psychologische ontwikkeling, zie ik iets anders. Waar anderen blijkbaar een geïntegreerde en liefdevolle benadering van de werkelijkheid zien, lees ik over een tegenstelling tussen hoofd, hart en lichaam, die ik verontrustend vind. Op i juli 1942 schrijft ze: ‘Mijn geest heeft alles van de laatste dagen - de geruchten zijn tot nu toe vernietigender dan de feiten, de feiten voor óns tenminste, in Polen schijnt de moordpartij in volle gang - alles al verwerkt, maar m’n lichaam blijkbaar nog niet. Het is uiteengevallen in duizend stukken en ieder stukje heeft een andere pijn. Grappig, hoe mijn lichaam de dingen nog achteraf verwerken moet.’ Grappig? Is het werkelijk grappig dat haar lichaam zodanig in opstand komt tegen de dood die nog een jaar op zich zal laten wachten? Moet ik haar geloven als ze zegt dat ze de feiten, dat wil zeggen de moordpartij op de anderen in Polen, heeft verwerkt? Ik kan het niet geloven.
Mijn ongeloof wordt versterkt door wat ze pal daarna schrijft, een paar uur later. ‘Lijden is niet beneden de menselijke waardigheid. Ik bedoel: men kan menswaardig lijden en onmenswaardig. Ik bedoel: de meeste westerlingen