aanvaardbaar is, maar ik kan het dan niet verdragen dat zij op dat moment niet net zo erg haat als ik, ik zoek als ’t ware harmonie in die haat met al m’n medemensen.’ Even verder heeft ze het over Käthes verbondenheid met haar volk, het Duitse, en zegt dan: ‘maar ik verdraag dat op dat moment niet, het hele volk moet en zal uitgeroeid worden met wortel en al en dan kan ik zo hatelijk zeggen: Tuig is het
Hillesum laat daar onmiddellijk op volgen hoezeer ze onrustig wordt van de haatgevoelens en hoezeer ze zich ervoor schaamt, maar dat zij vrij is van de aardsgebonden driften - de haat, de rancune, de vergeldingsbehoefte - zoals Herzberg ons probeert te verkopen, is onzin.
Er is meer dat mij in zijn stuk ni et aanstaat. cEen vrouw als Etty Hillesum gaat niet onderduiken (...) zij kan dat niet.’ Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar bedoelt hij niet ‘een verheven vrouw’, een vrouw wier sensuele liefde, Ten hemel stijgt en tot liefde wordt van alles tot alles’? Herz-bergs moeder Maria de tweede - de term ‘maagd’ is op haar net zo weinig van toepassing als op moeder Maria de eerste - Herzbergs moeder Maria Hillesum stijgt hier rechtstreeks ten hemel, niet via de omweg van de onderduik, de weg van de zekerheid, Herzbergs woorden, die haar leven had kunnen verlengen, maar via de rechtstreekse weg van Wester-bork en later de gaskamer. En naar dat Westerbork is zij, zegt Herzberg, gedreven ‘niet onder dwang van de bezetter, maar op last van de God harer voorstellen’. Het is tot daar aan toe dat Hillesum meent dat zij het lot van haar volk moet delen, en het is tot daar aan toe dat zij meent dat onderduiken voor haar een vlucht zou zijn voor het leven zoals het werkelijk is; maar het is, in mijn ogen, ethisch onjuist om dat standpunt over te nemen zoals Herzberg doet. Men kan toch moeilijk zeggen dat het leven in de concentratiekampen en de dood door moord in de gaskamer ‘het