maakte dan ik ooit zou kunnen zijn. Ik zoek naar woorden om het uit te kunnen leggen. Vanaf dat moment begreep ik de woorden van Paulus in de Eerste brief aan de Korin-thiërs, heel goed: 'Maar had ik de liefde niet, ik was niets.’
Wanneer in die periode de volgende verschuiving in mijn spirituele bestaan is opgetreden weet ik niet, maar korte tijd daarna versterkte zich die authentieke liefde in mijn hart nog en was het of het Goddelijke zelf aanwezig was in mijn hart. Niet tijdens een piekervaring van een meditatie, niet tijdens een seksueel hoogtepunt, maar gewoon... tijdens de afwas, zoals ik altijd zeg. Gedurende een maand of acht was het Goddelijke permanent in mij aanwezig, het maakte gewoon deel uit van mijn dagelijkse leven. In de oude terminologie zou je kunnen zeggen: ik had opeens een ziel. Eentje die ik echt kon voelen.
Ik zal een poging wagen te beschrijven hoe dat voelde. Stel je hebt een gloeilamp, eentje die brandt zonder dat je hem in een fitting hoeft te draaien en aan te sluiten op de elektriciteit. Die brandende lamp slik je in en je zorgt ervoor dat hij ter hoogte van je hart blijft steken. Die lamp is begrensd - hij heeft een bepaalde grootte. Maar licht dat eenmaal ontstoken is, reist tot in het oneindige, gesteld dat het door mijn lichaam heen zou kunnen stralen. De plek waar zich de lamp bevond was eindig, maar het licht van de lamp was oneindig. 2'o voelde mijn ziel. Alsof het een oneindige bron van Absolute Liefde was, met een hoofdletter, waaruit alles, echt alles, goed en kwaad, al het geschapene was voortgekomen en aan het voortkomen was, in een oneindige stroom. Oneindig naar binnen gericht, naar steeds kleiner, steeds dieper, en oneindig naar buiten gericht, tot aan het einde van de schepping. En toch, tegelijkertijd had die oneindige bron van Absolute Liefde waaruit alles voortkwam een eindige plek in mij, net als dat lampje.
Bij mij was die plek klein, maar je zou je kunnen voorstel-