zaam kwaad wordt’ en vergeeft tot in vele geslachten.
Maar ik houd van die intolerante, woedende kant van de Eeuwige, dat kokende gebries, de razernij en het schuim op de Mond van God bij het zien van ongerechtigheid, bij onrechtvaardigheid, bij misdaad, ontucht, geweld, hebzucht. Hoe vaak snak ik niet naar een God die met een zwaard uit de hemel komt en zo’n vader als de vader van de dominatrix aan het zwaard rijgt en hem uit de schepping verwijdert, van nu tot in eeuwigheid. Hoe pervers zijn we niet bezig door iedereen aan het woord te laten, moordenaar na moordenaar, kinderverkrachter na kinderverkrachter, beul na beul - jong en oud. Zij allen hebben een verhaal dat me tot compassie moet bewegen en dat ook doet. Maar ik wil het vaak niet horen, want ik besef te goed dat de vermoorde, de verkrachte, de geïntimideerde dat verhaal niet kan vertellen. Vooral als de dood ermee is gemoeid. Als ik het verhaal van de moordenaar moet horen dan toch ook het verhaal van de vermoorde, en als dat niet kan: geen van beide. Want luisteren naar het verhaal van de moordenaar, de kinderverkrachter, de beul is luisteren naar het verhaal van de sterkere. En ik vrees dat bij het appèl om naar hun verhaal te luisteren een kenmerk van de mens in het geding is dat altijd wordt verdoezeld, namelijk het ontzag voor de sterkere, de sterkere die bewezen heeft macht uit te kunnen oefenen, in geval van de moordenaar: de macht om een leven te nemen.
Ik wil niet naar het verhaal van de moordenaar luisteren, want ik wil me niet laten ringeloren door mijn angst voor de machtige, een angst die zich ook manifesteert als ontzag. Ik wil zijn verhaal niet horen.
Is het omdat het zo vreselijk moeilijk is om de compassie voor de moordenaar, voor de onrechtvaardige, voor de tuchtloze te weerstaan dat God in Tanach keer op keer de opdracht geeft om de tegenstanders uit te roeien tot de laat