Krijg ik het met de grootheden als Adin Steinsaltz aan de stok omdat ze etnocentrische racisten zijn of zijn ze gewoon psychologisch te onhandig en weten ze mij niet te bewegen tot het neerlaten van mijn verdedigingsschild? Of is het nog gecompliceerder: stellen ze - hoewel ze etnocentrische klootzakken zijn en psychologische horken - wel degelijk vragen, doen ze wel degelijk observaties, plaatsen ze wel degelijk opmerkingen waarvan waarheid de motor is? In het NIWvindt u, denk ik, het antwoord niet. Het doet er ook niet toe, want in mijn confrontatie met rabbijnen als Steinsaltz kan iets heel anders gebeuren dan in uw confrontatie met hen. Waarmee ik overigens absoluut niet wil zeggen dat de waarheid postmodernistisch of cultuurrelativis-tisch moet worden opgevat. God bestaat, hij heet geen Pietje, maar dat waarheid een van zijn hulpjes is, daar ben ik toch wel zeker van. En dat betekenis een van de andere Goddelijke hulpjes is, daar ben ik ook wel zeker van. En daarna wordt het dan opeens weer heel ingewikkeld, zeker als waarheid en betekenis op sommige momenten eikaars doodsvijanden zijn, slechts samengehouden in de paradoxale existentie van het Goddelijke.
Maar ik wil me er niet van afmaken en toch iets zeggen over de ‘echte leer der waarheid’ van de eerste hoofdredacteur van het NIW, A. M. Chumaceiro. Het jodendom is fantastisch. Om drie redenen. Eén, het heeft de beste sociale modellen: diaspora, waardoor er altijd wel een groep joden het overleeft en het joodse volk blijft bestaan; minjan, de tien mannen nodig om bepaalde gebeden te zeggen, waardoor iedereen meetelt, van de grootste klootzak tot de liefste en aardigste man; de rouwrituelen, waardoor er vrolijkheid is in het sterfhuis op het moment dat je dat het minst zou verwachten; de besnijdenis, waardoor je met een minimale ingreep een maximaal effect bewerkstelligt, namelijk de opname in het joodse volk; mikwa, het rituele bad, waar-