door de vriendschap tussen man en vrouw niet helemaal ondergeschikt en overwoekerd raakt door seksuele driften; de Sjabbaty waardoor het iedere week feest kan zijn en de schepping zich kan herstellen van onze slaafse bedrijvigheid; enzovoorts enzovoorts.
Twee, het contractuele aspect van de relatie tussen jood en God, waardoor iedere jood de kans heeft gelijkwaardigheid te verwerven aan het Goddelijke in het scheppingsproces en in ieder geval de illusie krijgt ook zelf nog iets te kunnen bepalen.
Drie, de raison d'ëtre van het jodendom, het gevecht tegen afgoderij. Er is maar één God en hij heet geen Pietje. Joden hebben ook allemaal hun Pietjes; het joodse volk is er heel vaak niet in geslaagd de afgoden buiten de deur te houden, denk aan het gouden kalf. Maar het jodendom, als systeem, heeft de strijd tegen afgoderij hoog gehouden. Het heeft steeds gezegd: u kunt wel denken dat, maar... het is het toch niet.
En daar kom ik dan weer terug bij mijn soefimeester, Murschid Faz’1. Een van de belangrijkste dingen die hij ons heeft geleerd is het idee dat je wel toenadering moet zoeken tot God, maar dat het Goddelijke zich altijd weer zal verbergen. Je gooit je concept over God of je verlangen naar God uit in Zijn richting en je trekt je daaraan op, tot op het punt waar je vastgehaakt zit in... in ja, wat? En vanaf dat punt moet je opnieuw je concep t of je verlangen uitgooien en je daar weer aan optrekken; en zo nog eens en zo nog eens. Van het Goddelijke zelf vang je misschien een glimp op, maar voor je het weet is Het de hoek om, en weer een hoek om en weer een hoek om.
Soefisme, zoals ik het heb ervaren, is met dat soort concepten, plus plus plus, mijn gereedschapskistje geworden, en met dat gereedschap timmer ik een kastje in elkaar waarin ik mijn joodse onderbroeken, mijn joodse hemden,