zijn geweest, zouden ze me niet hebben weten te vinden. Maar het is dankzij mijn soefimeester dat ik bij die krant terechtkwam, en niet omdat het NIW een soefikrant is, maar een joodse. Murschid Faz’l had me drie jaar meegemaakt toen hij me het advies gaf me te verdiepen in de joodse bronnen. Als ik dat niet zou doen, zou ik spiritueel niet verder komen. Toen ik ook nog te kennen gaf dat ik mijn vak -fysiotherapie - wilde verruilen voor willekeurig welk ander werk, deed zich de mogelijkheid voor bij het NIW als leer-ling-journaliste aan de slag te gaan. Denkt u niet dat ik stond te popelen, integendeel, ik vond het vreselijk om weer de joodse wereld in gestuurd te worden, maar het was omdat Murschid Faz’l de jodin in mij belangrijk vond dat ik knarsentandend en schoppend voor chet joodse blaadje’ begon te werken.
Waarom deed ik wat die man zei? Dat lag helemaal niet voor de hand, voor zo’n rebelse dochter als ik ben, zelfs niet na drie jaar. Het had, de opmerking van Heleen Pott in gedachten, te maken met die aan de houding der fundamentalistische EO-interviewers en rabbijnen tegengestelde mentaliteit: de weigering je te laten troosten en gerust te laten stellen, nee, dan liever diep ademhalen, knerpend en spugend, maar wel eropaf, doen wat niet leuk is, iets doen waarvan je niets verwacht, doen wat je het liefste niet zou willen doen. Als Murschid Faz’l ergens goed in was, was het die mentaliteit stimuleren, je vervolgens een situatie aanreiken waarin je door de zure appel heen moest bijten en hij je een schouderklopje gaf als je de sprong gewaagd had en iets geleerd. Over jezelf, over anderen, over de wereld, over de geschiedenis, over samenhangen, desnoods over God -maar daar spraken we helemaal niet over. Hij groef een greppel voor je, zei: ‘Je kunt erover heen springen’, zei er niet bij: ‘dat zou ik doen als ik jou was’, en als je de greppel over was, had hij alweer een ander kanaal voor je gegraven