nergens meer bij te horen. Er zijn tijden geweest dat ik het vreselijk vond dat ik automatisch bij het joodse volk hoorde en daarin geen keuze had. Ik was er razend over dat ik er niet kon uitstappen en zelf bepalen wat ik wilde zijn. Daarna kwam er een tijd dat ik het tamelijk prettig vond dat ik ergens bij hoorde; het was veel beter dan al die mensen die nergens bij hoorden, die zichzelf niet zien als de drager van een cultuur, als vertegenwoordiger en erfgenaam van een beschaving. Gevangen in die existentiële modus, was mijn kritiek op het christendom dat het fundamentele gevoel erbij te horen, zonder dat ook maar iets daaraan afbreuk kan doen, zo zwak is. Waar ook ter wereld ik joden tegenkom, er is iets dat ons verbindt, een familiegevoel, dat weliswaar erg bedrieglijk kan zijn, want oppervlakkig, maar eventjes is het er in ieder geval. De prijs voor het erbij horen is dat je niet zelf kunt bepalen of je erbij wilt horen, de bonus voor het niet zelf kunnen bepalen of je erbij wilt horen, is dat je erbij hoort.
Maar wat ik de laatste decennia als iets positiefs ervoer, viel dus weg op de snelweg naar Amsterdam. Opeens vond ik het een bevrijding dat ieder referentiekader wegviel. Op de snelweg naar Amsterdam was er geen God en geen Pietje, er was niks, en dat was niet Niks, met hóófdletter. Opeens had ik begrip voor het christelijke standpunt dat iedereen die erbij wil horen omdat hij of zij gelooft, erbij hoort, simpel voorgesteld. En opeens snapte ik ook waar zen-boeddhisme het over heeft.
Inmiddels ben ik weer jodin, bepaald door mijn cultuur, mijn beschaving, maar wat daar gebeurde op weg naar huis was het typische resultaat van een interactie tussen soefisme, jodendom en het NIW. Ik had een lezing moeten geven over het NIW - de hele auto zat er mee volgepakt - en ik was gevraagd in mijn hoedanigheid van hoofdredacteur van die krant. Als ik geen hoofdredacteur van het NIWzou