telijk een verkeerd woord daarvoor - het wordt trouwens bijna altijd verkeerd gebruikt.) Verhindert hun afkeer van de zelfgenoegzaamheid die het jodendom ook heeft, de as-similanten objectief kennis te nemen van de joodse beschaving? Is dat de reden waarom zoveel christenen seculariseren? Niet omdat ze niet in God geloven, maar omdat ze het knetterende superioriteitsdenken van degenen die de waarheid hebben gevonden of nooit zijn kwijtgeraakt, onverdraaglijk vinden? Of het nu een interviewer van de Evangelische Omroep is of een fundamentalistische rabbijn, met die mensen valt niet te praten en je wilt er alleen al vanwege hun onwrikbare en onverwoestbare overtuiging, hun onverwoestbare blijheid en optimisme en heilig vuur niet mee geassocieerd worden. God is begerenswaardig, maar niet als je tot het gezelschap van de onwrikbare Veters’ moet toetreden. ‘Het verontwaardigde pessimisme, de weigering om de andere kant uit te kijken, om getroost en gerustgesteld te worden, (is) het criterium waaraan je de ziel herkent,5 schrijft Heleen Pott, in een recensie over de nieuwe Nederlandse vertaling van Arthur Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling. (NRC Handelsblad, 23 mei 1997) Maar de echte gelovigen passen ervoor zich niet te laten troosten of niet gerust te laten stellen. Daar is God nou juist voor, voor troost en geruststelling, ook voor mij. Maar juist als je op mensen stuit die zo vreselijk totaal zijn gerustgesteld, mensen in wie ieder spoor van verontwaardigd pessimisme is verdwenen, mensen die helemaal niet meer gerustgesteld hoeven te worden, dan krijg ik toch iets van: dan maar liever de twijfel, dan maar liever de paniek, zo’n ingebeitelde triomfalistische grijns past niet op mijn gezicht. Er is maar één God, en hij heet geen Pietje. En ik wil niet horen bij de mensen die hem in de beslotenheid van hun kring toch Pietje noemen.
In de beslotenheid van mijn kring, de auto, hoefde ik ook