Er is nog een ander probleem. Hoe dichter het verhaal van vernietiging de werkelijkheid lijkt te reflecteren, hoe groter zijn destructieve invloed. Een voorbeeld. Iemand vertelde me - geheel overstuur - van een vrouw die net op gruwelijke wijze haar kind had verloren. De babysitter had, geheel stoned van de drugs, de baby in de oven gestopt, waarna de baby was verbrand.
Ik heb dit nooit eerder verteld. Dat ik het nu vertel, is omdat ik wil laten zien dat het maar de vraag is of alle verhalen uit de kampen moeten worden verteld. Jarenlang werkte dit verhaal in mij door. Het was alsof ik een zeer zwaar vergif had ingenomen; een vergif dat mij op geniepige wijze emotioneel ziek maakte. Tegen de destructieve invloed van het verhaal had ik geen verweer, al was het alleen maar omdat ik het aan niemand kwijt kon. Ik wilde immers niet dat degene aan wie ik het op mijn beurt zou vertellen door dit relaas van gruwelijkheid zou worden aangetast in zijn of haar bestaan.
En zo leefde ik alleen verder met dit verhaal, dat als een tumor in mijn bewustzijn was geplant door iemand die werkelijk niet nadacht toen zij mij dit vertelde, tot ik — bij toeval - hoorde dat het verhaal niet waar was. De moeder in kwestie was psychotisch geworden en had het verhaal over haar verbrande baby gehallucineerd; ze was naar een psychiatrische inrichting gebracht.
Degene die mij van de moeder, de babysit en de verbrande baby had verteld, had mij echter niet laten weten dat de giftige woordenzwam die ik door haar toedoen had ingeslikt, geproduceerd was door een zieke geest. En zolang ik dat niet wist, was het giftige verhaal waar en functioneerde het in mijn bestaan als een realiteit die ik moest integreren. De giftige zwam bestond, maar desondanks was het niet meer dan de giftige zwam van een geest die de taal had gebruikt om zijn zieke producten te kleden in een mantel van werkelijkheid.