geroepen en herbeleefd, lang nadat de personen en dingen waarop deze gevoelens betrekking hebben uit ons leven verdwenen zijn. We vinden het normaal dat beelden, woorden, gevoelens in ons achterblijven, maar is het dat? We vinden het normaal dat van de achtergebleven beelden, woorden en gevoelens nieuwe eenheden worden gemaakt: gedachten, associaties, vertellingen. Niets vinden we zo vreselijk als geheugenverlies, of erger nog, dementie. Geheugenverlies en dementie beroven ons van ons ik, van de essentiële beleving van onszelf. Voor niets zijn we zó bang. Maar is dat terecht?
Ik zal een absurd verhaal vertellen over de zegen die dementie ook soms moet zijn. In januari zat een vriendin van mij tijdelijk in een joods bejaardentehuis. In dezelfde tijd werd het feit herdacht dat Auschwitz vijftig jaar geleden werd bevrijd. De herdenkingsceremonie werd op de televisie uitgezonden, wat een van de ouderen de vraag deed stellen aan de anderen: ‘Gaan we nog naar Auschwitz kijken?’ ‘Wat is dat?’ vroeg een demente oude dame, ‘een voetbalwedstrijd?’ ‘Nee, een concentratiekamp.’ ‘Nooit van gehoord.’
Hoeveel minder pijn en verdriet en verwarring en woede en teleurstelling zouden we niet hebben als de beelden en woorden en gevoelens niet in ons zouden achterblijven, maar verdwijnen met de tik van de secondewijzer, of in ieder geval niet eindeloos zouden doordenderen.
We zijn positief over bewustzijn, en we zijn nog positiever over vertellingen, over verhalen, we vinden die goed. Wat me altijd heeft verbaasd is dat iedereen een levensverhaal heeft dat kop en staart heeft, een verhaal dat vertelbaar is en redelijk kort. Die verhalen kunnen niet waar zijn, aan die levensverhalen moet te veel geredigeerd zijn om te kunnen claimen dat ze ook maar een schijn van waarheid bevatten.