jouw kant krijgt, zegt het verhaal, en het komt goed. En als alle ellende achter de rug is, zegt het verhaal, vier dan feest. Hoe moet dat feest gevierd worden? is aan de rabbijnen gevraagd. En zij hebben geantwoord: Word dronken totdat je het verschil tussen Haman en Mordechai, tussen kwaad en goed, niet meer kunt maken. Verheug je erover dat het lot dat je verwachtte anders is uitgepakt, put moed uit de mogelijkheid dat dat dus altijd wéér kan gebeuren: dat het lot anders uitpakt dan je verwacht. Oordeel niet te snel. Wat een zegen lijkt, kan een vloek zijn, wat een vloek lijkt, is misschien een zegen.
Maar het verhaal van Esther en Mordechai, van Achasj-verosj, Wasjti en Haman, zou geen joods verhaal zijn als niet het ergste nationalisme getemperd zou zijn: dus, aan het eind van de dag van Poeriem hoort men niet meer te weten wie Haman is, wie Mordechai; aan het eind van de dag stelt men zich de vraag: wie zijn wij, wie ben ik? Goed of kwaad?
Tweeënhalfduizend jaar ging het goed. Tot Baruch Gold-stein een heel andere conclusie trok. De geruchten gingen rond op de Westelijke Jordaanoever dat er een grote aanslag op de joden in de nederzettingen in voorbereiding was. Haman leek in de gedaante van Harnas te zijn teruggekeerd. Goldstein wachtte de toestemming van zijn autoriteiten niet af, of beter, hij las een toestemming in het Poeriem- verhaal en handelde zoals hij dacht dat het verhaal hem voorschreef: hij bracht met het machinegeweer een slachting aan en bracht dood en verderf teweeg onder zijn vijanden, de Arabieren die het hebben gemunt op het joodse volk. Dat is waarom hij voor een uiterst klein groepje joden - het is schokkend dat zij überhaupt bestaan - een iesj kadosj is, een heilig man, die zij vereren. Onnodig te zeggen dat, afgezien van dit handjevol, iedereen - seculier of orthodox - tot