het lot - het lot dat uiteraard niet bestaat - komt de koning te weten dat hij Mordechai dank verschuldigd is omdat hij in een eerder stadium zijn leven heeft gered.
Het wordt hem verteld door Esther, het nichtje van Mordechai, die tot koningin is verheven nadat koningin Wasjti in ongenade is gevallen. Deze voorgangster van Esther, die van eenzelfde trots en eigenwaarde vervuld is als Mordechai, maar daarvoor als vrouw juist gestraft wordt, heeft geweigerd naakt voor de koning en zijn gezelschap te dansen. Esther neemt haar plaats in.
Achasjverosj beloont Mordechai; daarna vraagt Esther de verordening dat de joden in zijn rijk moeten worden gedood te herroepen. Maar dat kan niet. Achasjverosj zegt het zelf in vers 8:8: ‘want een geschrift dat in naam van de koning is geschreven en met de zegelring van de koning is verzegeld, kan niet worden herroepen.’ Befehl ist Befehl, zelfs voor een Perzische koning.
Maar een soort redding komt er toch, de joden mogen zich verdedigen tegen hun belagers. Een brief in die zin, een tweede bevel, gaat uit naar alle volkeren in het rijk van Achasjverosj. In Esther 8:11 staat: ‘De koning stond de joden in alle steden toe zich te verzamelen en hun leven te verdedigen, en alle gewapende macht van volk en gewest, die hen zou benauwen, te verdelgen, te doden en uit te roeien met vrouwen en kinderen, en hun bezittingen buit te maken.’ cEen afschrift van deze brief,’ zo gaat Tanach verder in vers 8:13, ‘moest ter kennis van alle volkeren worden gebracht en de joden moesten zich tegen die dag (de dag dat de volkeren zich aan hen zouden vergrijpen, TB) - gereedhouden om zich op hun vijanden te wreken.’
‘En de stad Soesan juichte en was verheugd’ (8:15), ‘en velen uit de volkeren van het land werden joden, want de schrik voor de joden was op hen gevallen’ (8:17).