Ik ben geboren in de Lazarussteeg. Dat was een steegje tegen de rooms-katholieke kerk, de Mozes- en Aaronkerk, aan. Die steeg bestaat niet meer. Hij is nu recht tegenover de Portugese sjoel. Het was maar een klein straatje. Er stonden niet meer dan tien, twaalf huizen, dus elke vergelijking met de tegenwoordige tijd gaat mank. Ze bestaan niet meer die straten. In de Lazarussteeg was op de ene hoek, de hoek van het Waterlooplein met de Lazarussteeg, een politiebureau, daarna was er een poortje dat toegang gaf tot een open plaats, maar daar kwam nooit iemand, want die maakte deel uit van een laboratorium, daarna kwam de hoek met de Jodenbreestraat. Daar woonde een niet-joodse familie. De familie van meester Mitze Pekema. Mitze was onderwijzer. Aan de andere kant woonde op de hoek de koster van de Mozes- en Aaronkerk. Daarnaast woonde op nummer 8 een gezin met acht of tien kinderen: de familie Dinsdag. De nummers 2, 4,en 6 bestonden geloof ik niet.
Ik ben weggegaan uit de Lazarussteeg toen ik een jongetje van elf was. Je moet er rekening mee houden, dat als ik terugkijk naar joods Amsterdam, ik een spiegel zie. Een spiegel die misschien beslagen is. Het is reeds meerdere malen door historici van naam vastgesteld, dat orale overdracht van jeugdherinneringen niet alleen gekleurd is door het milieu waaruit men is ontsproten, maar ook door de levenservaring die men in de loop van het leven heeft opgedaan. Mijn vader en moeder hadden in de Lazarussteeg een groentewinkeltje. Dat winkeltje was van mijn grootmoeder van moeders kant geweest. Het was dus een familiezaakje, nebbisj. Grootvader van moeders kant was zeer exceptionelerwijze een ambachtsman. Geen diamantslijper, maar een zogenaamde koude smid. Hij maakte kachelpijpen en heeft loodgieterswerk gedaan. Mijn grootvader van vaders zijde was venter. Ik kan