den. Vooral in het eerste stuk van de Vrolikstraat, tot de Beukenweg, woonden uitsluitend joden.
Voordat wij daar kwamen wonen was ik op joodse school geweest bij mijnheer Solberg, op het Jonas Daniël Meijer-plein. Hij zal het mij malchot zijn, hij zal het me vergeven, maar ik had een verschrikkelijke hekel aan dat schooltje. Alles in dat schooltje moest op een koopje. Het was er benauwd en de leerkrachten waren allemaal oudere mensen. Een gepensioneerde sjouget, er was een leraar die pruimde ... Er was geen aparte wc voor jongens en meisjes. De wc was in de klassen. Je moest door een deurtje en dan stond je in de wc. Ik vond het daar verschrikkelijk. Afgezien van het feit dat ik een aversie had tegen die mijnheer Solberg. Waarom kan ik niet zeggen, een kind heeft dat soms. Dat werd zo erg, dat ik, als ik daar op zondagmorgen naar toe moest, in de ziekte vluchtte. Dat hebben mijn ouders niet lang aangezien, of liever: ik heb het zelf niet lang aangezien, want ik ben er afgestuurd. Waarom nou? We hadden daar nog hele lange banken, waar je met zijn zessen inzat. Op die banken zat een opstaand richeltje. In die tijd knikkerde ik zo graag. Ik had een hele zak met knikkers bij me en die had ik allemaal langs die rand gelegd. Toen heb ik een van de jongens die in de volgende bank zat zover gekregen dat hij de laatste knikker een flinke tik gaf, zodat al die knikkers met een donderend geraas het lokaal in vielen. Ik moest naar mijnheer Solberg en werd meteen van school gestuurd. Dat was was ik wilde. Toen wij in de Vrolikstraat kwamen wonen, begon mijnheer De Hond juist de joodse school in de Boerhaavestraat. Ik werd daar de eerste leerling. Op mijnheer De Hond ben ik van het begin af dol geweest. Hij begreep de mensen. Hij stond op gelijke hoogte met hen. Ze noemden hem ook: ,,de rabbijn van het proletariaat”. Hij kon uitstekend lesgeven en op zijn school kwamen leerkrachten met een frissere aanpak. Ik herinner me mijnheer Porcelijn, Sam Hakker, mijnheer Arbeid, een aristocraat om te zien, en mijnheer Polak. Die woonde in de Zandstraat, net tegenover de toren.
Die mensen kwamen verzorgd op school. Terwijl bij Solberg was het - misschien kregen de leerkrachten bij Solberg drie kwartjes voor een dag - allemaal armetierig, achenebbisj.