verzekering. Als er een sterfgeval was kreeg de familie honderd gulden om de tijd van de sjiwwe (periode van rouw zitten, waarin men niet mag werken en binnenshuis moet blijven) door te komen. En de overledene kreeg een matseiwe (grafsteen). Allemaal dezelfde grootte.
Dus het begrafeniswerk was me niet vreemd. Maar toen die man zo zei dat ik geluk had omdat er ,,twee dooie” waren, begon ik opeens te rillen. Er werd me ook nog verteld, dat ik twee graven moest maken, „want die liggen apart. Bij de joden, waar jij hebt gesolliciteerd, ligt er maar eentje in, maar hier gaan er drie in.” Ik zeg: „Hoe diep is dat dan?” „2,25 meter diep, 1 meter breed en meer dan 2 meter lang.” Kan je het je voorstellen? Dan moet je een aardig stukje wegzetten. Ik heb twee graven gedolven. Hoe ik thuis ben gekomen weet ik niet meer. Ik kon mijn vingers niet meer bewegen. Ik was helemaal verstijfd.
Om kort te gaan, ik heb er alles geleerd en alles gedaan. Ik moest ook de klokken luiden, met een lang touw; dat duurde soms wel een uur.
De droosjes die de dominee houdt heb ik ook geleerd. Zwaar overdreven natuurlijk. Met de dominee heb ik nog in de clinch gelegen, want ik kon het niet verdragen dat er bij de begrafenis van de een wel werd gesproken en bij die van de ander niet; dat er vier klassen waren: eerste, tweede, derde en vierde klas en ook grafkelders, waar de mensen met kist zo ingaan. Ik heb zelfs leren maaien, wat ontstellend moeilijk is, vooral omdat je de zeis scherp moet maken. Dat heet „haren”. Daar heb je een speciale hamer voor, en een haarspit, een soort aambeeldje en daar tik je hem op plat. Als je een beetje te hard slaat, of je maakt niet steeds dezelfde tik, komt er een braampje aan, dan krijg je een zaag. Enfin, de dominee heeft een briefje geschreven aan de joodse gemeente: „Binnen drie maanden is de heer Hartog een volleerd directeur van een begraafplaats.” Het was 1938, ik werd aangenomen. We hebben de twee winkeltjes verkocht aan een paar van die jiddisje mannetjes, die speciaal al die winkeliertjes opkochten voor zo weinig mogelijk geld. Ik was blij dat ik er af was. Mijn schulden heb ik betaald en zonder veel geld zijn we naar Toepad gegaan. Toepad was de begraafplaats waar werd be