De directeur komt, vraagt mij binnen en ik vertel dat ik een boer zoek om te leren maaien. Hij zegt: ,,U moet geen boer hebben, maar u moet op een begraafplaats een graf leren graven. Dat maaien komt er wel bij.” Hij bleek een vriend te hebben die directeur was van de begraafplaats Hilligersberg, een zekere Van Klaveren. Die begraafplaats was half van de gemeente en half protestants. Van Van Klaveren mocht ik eens langskomen, alleen moest de dominee er nog zijn goedkeuring aan geven dat ik als volontair op Hilligersberg zou komen werken. De dominee vond het goed. De volgende ochtend kon ik beginnen om acht uur. ’s Ochtends kom ik op Hilligersberg en ga naar de beheerder, de heer Daim. Hij zegt: ,,Ik heb van het geval gehoord. Je bent een geluksvogel, je boft enorm, want er zijn twee dooie.” Ik denk: ,,Oh, de manier waarop die man over dooien spreekt. . .” Maar nou was ik wel een beetje bekend met het begrafeniswerk, want ik was vroeger bestuurder van de Menachem Aweiliem Chewre, de vereniging Troost der Treurenden. Ik maakte ook wel eens een geintje en zei dan: de Nakende wijven chewre. Daar was ik al jaren bestuurslid van. Dat was een vereniging waaraan men een kwartje per persoon betaalde per week, als een soort
Het gezin De Hartog bij het uitbreken van de oorlog.