ben ik met één textielzaak begonnen en daarna met een tweede. Met die twee winkels en op reis, en heel hard pezen, want ik wilde niet naar de steun, was er niets meer te verkopen. Dus zei ik tegen mijn vrouw: ,,Ro, ik houd het misschien nog een paar maanden. Ik ga naar iets anders uitzien, want ik wil niet naar de steun.” Op vrijdag kwam het joodse blaadje. Ik kijk het even in, want ik had niet veel zin om weg te gaan. Als ik een rijksdaalder onkosten maakte was het moeilijk die terug te verdienen. Er stond een advertentie in van de Joodse Gemeente Rotterdam. Ze zochten voor de joodse begraafplaats een beheerder of bewaarder, zo heette dat toen. Hij moest kunnen gras maaien, graven delven, begrafenissen in de orde maken, met publiek kunnen omgaan, enigszins met het jodendom op de hoogte zijn wat betreft sterven, begraven enz. Dat lees ik zo. Ik zeg: ,,Ro, wat denk je ervan?” Ze zegt: ,,Ik geloof dat jij stapelgek begint te worden.”
In plaats van weg te gaan schreef ik een sollicitatiebrief. Veertien dagen daarna: niks gehoord. Ik informeer: hon-derdvijftig sollicitanten uit heel Nederland. Naderhand bleken er tweehonderdvijftig sollicitanten te zijn. Ik zeg tegen mijn vrouw: ,,Die brief van mij heeft helemaal geen zin. Ik ga een beetje lopen want ik heb helemaal geen zin om op reis te gaan. Maar naar de steun ga ik niet. Ik moet de een of andere baan hebben.”
Kort en goed, die dag kwam ik eerst een oude kennis van mij tegen uit de tijd dat ik bij de Theosofische Vereniging kwam, die aan handlijnkunde deed en mij voorspelde, dat ik die baan zou krijgen als ik er wat voor deed. Daarna kwam ik een zekere mijnheer Vromen tegen, een broer van de penningmeester van de Joodse Gemeente. Bij zijn broer kon hij geen goed woordje doen, want de beste man zou worden gekozen, of ik dat nu was of iemand anders, maar hij raadde mij wel aan bij een boer te leren maaien.
Op de Coolsingel was de Boerenleenbank en die liep ik zonder na te denken binnen. Ik dacht niet meer aan mijn huis, ik dacht niet meer aan mijn kinderen, ik dacht niet meer aan mijn vrouw, ik dacht niet meer aan mijn moeder. Ik loop alleen nog maar die Boerenleenbank binnen, om met de directeur mijn situatie te bespreken.