Ik was vroeger bij de padvinderij. De joodse padvinderij. Dat was een organisatie met de naam Hasjoriem, de Hoeders. Ik heb er nog foto’s van. Uit 1920 of daaromtrent. Die padvinderij is, meen ik, in 1915 opgericht. Ik was toen twaalf jaar. Toen ik zestien was ben ik bij de padvinderij gegaan. Ik ben er zeker zes of acht jaar bijgebleven. Ik vond het heel interessant. Wekelijks gingen we naar de duinen. Op zondag. Lopend of met de fiets. Het is vlakbij Den Haag en je kon er de jongens laten spelen. Ik vond het heel prettig. Vooral zondags. Dan bleven we van een uur of acht ’s morgens tot zes uur in de middag in de duinen. Het was alleen voor jongens, padvindsters waren er niet in die tijd.
Hasjoriem was eigenlijk een organisatie op zionistische grondslag. Want we hadden een vlag met een mogen dovied erop. Af en toe waren er lezingen over Palestina. Daar richtten we ons toen al op. Ik heb zelf nog eens getracht, met mijn broers, om naar Israël te komen. Dat zal in 1920 ongeveer zijn geweest. Dat is niet gelukt. Engeland had toen het mandaat over Palestina en was zeer restrictief met het uitgeven van certificaten. Het hielp niets of je je opgaf voor een certificaat, er werden er zo weinig uitgereikt dat er geen kans was om naar Israël te komen. Een enkele bevoorrechte kwam in een kiboets terecht.
Toen ik een paar jaar bij de padvinderij was ben ik een beetje opgeklommen, totdat ik assistent van de hopman was. We gingen niet alleen ’s zondags met de hele troep, ongeveer dertig jongens, weg. Eens per jaar gingen we kamperen. In Nederland, maar ook wel in België. Dat was geweldig. Ik herinner me dat we een hele week hebben gekampeerd in Brasschaat, een voorstadje van Antwerpen. Vrijdagmiddag gingen we lopen naar Antwerpen.
Dat was een kilometer of acht. Op vrijdagavond werden we