76
even goede sociaal-democraten zijn, als vele geloo-vige belijders van andere religies en als ongeloo-vigen.
De derde vraag luidt: „Gelooft u, dat er in de arbeidersbeweging veel Joden zijn, die totaal afstand hebben gedaan van hun geloof?” De briefschrijver gaf daarbij de volgende toelichting: „Velen zijn namelijk van meening, dat de Joden, die beweren niets te doen aan hun geloof, toch trouwen in de synagoge en dan heet het, dat zij dit doen voor vader of moeder of familie. Ook laten zij hun kinderen onderwijzen in den Jood-schen godsdienst.”
Deze vraag gaat uit van de oude, maar nog niet afgestorven misvatting, dat men, om socialist te wezen, zijn godsdienstige overtuiging overboord moet zetten. Godsdienst en socialisme zijn echter twee verschillende dingen, van elkander onafhankelijk. Er is geen reden, waarom men niet godsdienstig zou kunnen zijn en tevens overtuigd wezen, dat het heil der menschheid gelegen is in een maatschappij op den grondslag van gemeen-schappelijken arbeid voor de vervulling van gemeenschappelijke behoeften, zonder betaling van cijns aan bezitters van grond en arbeidsmiddelen, te bereiken en te verwezenlijken langs den weg en met de middelen der democratie.
Het geloof, dat het heelal de schepping is van een zich geopenbaard hebbenden God — het geloof in een leven hiernamaals — het gevoelen van voor zijn handel en wandel verantwoordelijk te zijn aan