tering, toch verre van „international-minded”, in de zin die in deze studie wordt bedoeld. Wil men van Joodse zijde niet alleen vechten voor behoud van eigenaard, maar hoger gegrepen voor een samenleving der verschillende volkeren, dan zal hier nog veel moeten veranderen. De practische problemen, die uit het bestaan van het Joodse vraagstuk voortvloeien, zullen niet anders dan met de medewerking der Joden zelf kunnen worden opgelost, een medewerking die getuigt van de visie op het universele probleem van samenleving waar de moderne mensheid voor staat. Ontbreekt dit laatste aan Joodse kant, dan bereiden zij zelf de ene cata-strophe na de andere voor en zullen zij door de raderen van onweerstaanbare machten worden vernield. Menige gedachtenwisseling zal hierover nog binnen het Joodse kamp zelf moeten worden gevoerd, voordat de mentaliteit van het ghetto definitief zal zijn overwonnen.
196