deze God zich beloond aan dit volk en indirect ook in dit volk aan de andere volkeren en de overige mensheid. Het vergankelijke gebeuren is een teken van de wegen, die de Schepper met zijn mensenkinderen volgt en waaruit zij dus de gang van zijn leiding hebben af te lezen. Deze signifische geschiedbeschouwing is aan de gehele Joods-Christelijke openbaringstraditie eigen. Men let er meer op het incidentele natuurgebeuren dan op de eeuwige wetmatigheden, want de betekenis van het levensproces ligt niet zozeer in datgene wat als een sluitend rythmisch proces wordt gezien, als wel in de doelgerichte veranderingen cn opmerkelijkheden, de bijzondere ingrijpende hand, die als een vrije bovenwereldlijke genialiteit temidden van het ordelijke gebeuren door wonderen cn tekenen zijn wegen afbakent. Juist de opvallende dingen zijn op deze manier van betekenis. Wie in de lijn van deze openbaring leeft, krijgt een opmerkzaamheid voor het bijzondere cn uitzonderlijke, voor het eenmaal gebeurende, die zijn geest spitst cn zelfs een zekere nerveus© waakzaamheid kweekt. Want de dingen, die zich aan zijn leven voltrekken, hebben een bedoeling en het is een onvergeeflijke fout en een groot verzuim, wanneer hij ze mist of misduidt.
De grotere verschijnselen nemen natuurlijk de belangrijke!-plaats in als grotere tekenen van dingen, die zwaarder van zin en dus ook ingrijpender van duiding zijn. Aan de top staat het verschijnsel van het openbaringsvolk als geheel genomen, of, in termen van de Christelijke kerk gesproken, het verschijnsel van de kerk als geheel. Hier gaal hel dus om de zelfinterpretatie van het Joodse volk en van de Christelijke kerk, als historisch verschijnsel met zijn ontw ikkeling, zijn lot, zijn verloop. En daarnaast om de interpretatie van het Joodse volk door de Christelijke kerk en omgekeerd, van de Christelijke kerk door het Joodse volk. Dat deze beide voor elkaar en voor zichzelf tekenen zijn. daaraan kan niet worden getwijfeld. De duiding echter wordt bij zulke afmetingen en vooral bij nog voortgaande afwikkelingen van de historische draden een uiterst precaire zaak.
165