in alle kringen groot was, heeft onder die verrassende ontdekking een stootje gekregen en is hier en daar omgeslagen in het gevoel, dat de Joden heel goed voor zichzelf weten op te komen en dat veel effectiever doen dan anderen. De waarheid is, dat inderdaad de volharding en het élan onder de Joden ook na deze gruwelijke slachtingen zo vitaal zijn gebleken, dat men niet anders kan dan hun energie bewonderen en eventueel benijden.
Het is hetzelfde volk nog steeds, dat zich als vroeger door de neteligste situaties heeft heengewerkt en zijn onderdrukkers overleeft. Biologische en geestelijke krachten werken hier samen, niet zozeer regenererend als wel voortgenererend in de beproefde formatie. In hoeverre het Jodendom zich een totaal nieuwe gedaante zal weten te geven en uit de grote oerconceptie de verschillende stromingen binnen zijn grenzen weer in een nieuwe doelgerichte „natie” zal kunen herscheppen moet de tijd leren. Het vermogen tot aanpassing aan gewijzigde omstandigheden is in elk geval aanwezig. De drijfveren, die het Joodse volk voortstuwen, hebben het karakter van het hier en nu realiseren van de ingeplante idee. Men hoeft aan Joden nooit toe te roepen, dat ze de aarde trouw moeten blijven. Ze doen dat van nature en krachtens traditie. Een beschouwing, die de stof van deze schepping in discrediet brengt, vindt dadelijk de Joden tegenover zich als pleitvoerders van de aarde en haar volheid. Ze hebben voor zulke wereldvijandige theorieën een zeldzaam fijne neus, teken hoe sterk de zin is voor de stof van dit leven, zoals het hier en nu gegeven is, en kostbaar blijft. Wel hebben Joden hun dromen, maar het zijn geen wegverlangende onaardse dromen; het zijn dromen van verheerlijking van het hier gegevene, van transfiguratie en bekroning, van messiaanse glorie en gaafheid. In alle toonaarden van hoog tot laag, tot in het vulgaire toe, is deze aarde-liefde bij Joden te vinden; wie hen verstaan wil moet het gener-zijds niet als een ontkoming uit de banden van het dezerzijds opvatten, maar als een bekroning in de uiteindelijke volheid van scheppingsgenialiteit. Vergeestelijking wekt bij Joden altijd een zekere argwaan; ze blijven trouw aan de
146