We staan nu voor de moeilijke taak om in een korte schets het Joodse wezen enigszins te karakteriseren. Het spreekt vanzelf, dat dit niet anders dan een ruwe schets kan zijn, niet alleen om de beschikbare ruimte, maar vooral om de buitengewoon rijke materie. Dit laatste bezwaar maakt de onderneming bijna hachelijk. Als ik het toch waag, dan is het alleen in het besef, dat voor een gezondmaking van de verhoudingen tussen Joden en niet-Joden de eerlijke poging om elkaar te begrijpen onontbeerlijk is. En dan is het nodig om een beeld te ontwerpen, ook al moet dan aan dat beeld telkens weer gecorrigeerd worden.
Het eerste, dat opgemerkt moet worden, is dat de Joodse verschijning een buitengewoon historische diepte vertoont. De trekken van dat gezicht, zelfs vrijwel van elk individueel Joods gezicht, zijn een uitdrukking van langdurig en bewogen leven. Hoewel het Joodse volk, wat vitaliteit aangaat, over steeds verse reserves beschikt, is het wat karak-terdiepte betreft een oud volk; het naieve en onervarene van een jonge verschijning, die pas komt kijken, is hier al eeuwen en eeuwen geleden weggevaagd. Een oude, wijze, veelbeproefde en wijdturende blik staat in die ogen, die kennelijk veel hebben gezien en veel hebben geleerd.
Als volk heeft het Jodendom een physiognomie, waarin geschiedenis staat geschreven, herinneringen van dieper dan intellectuele aard, sporen van vroeger bestaan en nawerkende indrukken. Veel is hun bijgebleven en veel houdt hen innerlijk bezig. Het verleden heeft op hun bestaanswijze grote invloed.
130