73
geheel plaats gemaakt voor den burgerlijken utopist, voor den onschuldigen sociaal-philosoof, die zoekende is naar de „beste” maatschappij.
Deze laatste phase van Kropotkine als anarchist behoeft geenerlei verbazing te wekken; geen die ooit meer utopist is geweest dan hij. Trots allen schijn van wetenschappelijkheid is het Kropotkine niet gelukt van het anarchisme een wetenschappelijk stelsel te maken. Het communisme in de eigenlijk anarchistische, d. w. z. anti-organische, absolute beschouwing omtrent maatschappij, staat, produktie enz. te hebben ingevoegd, is op een verwringing van het oorspronkelijk anarchisme uitgeloopen. Het anarchisme is bij Kropotkine geen zier communistischer geworden; d. w. z. de voorwaarden, die de beweging naar een communistische maatschappij bepalen, de ontwikkelingsgang van de arbeidende menschheid, zijn in de uiteenzettingen van Kropotkine even vaag en nietszeggend gebleven, als zij bij de werkelijke anarchisten duidelijk afwijzend zijn. Dezen zeggen: wij maken uw ontwikkeling naar het socialisme of communisme niet mede; alles in uw toekomst gaat tegen de ontwikkeling van de „vrije persoonlijkheid”, van den „souvereinen individu”, het middenpunt van de wereld volgens ons, zoo dwaas in als het maar kan.
Kropotkine betuigt anarchist te zijn, aan de vrijheid van de persoon, de zelfbepaling, de souvereiniteit van den individu vast te houden, maar als hij over het communisme van zijn toekomststaat spreekt, is hij de eerste die deze souvereiniteit loslaat en in de plaats van de personen de „vrije groepen” stelt. Dit is nu wel Proudhonistisch, maar het is niet logisch. Welken waarborg heeft men dat „den dag na de revolutie”, die bij Kropotkine evenals bij alle phantasten uit de lucht moet komen vallen, die „vrije groepeering” plaats zal vinden? Deze, hoogst eenvoudige vraag wordt door Kropotkine nergens beantwoord. Alleen een zeer optimistisch vertrouwen op de massa helpt hem uit de moeie-lijkheid.
Van zelf zijn wij hier gekomen tot een van de meest ty-