U.N.O.
TOEN ik deze opstellen na mijn terugkomst in Januari 1948 schreef, was het „vraagstuk” Palestina nog steeds in behandeling. De Engelse regering oefende nog het gezag uit in het land onder de verplichtingen verbonden aan het mandaat. De vertegenwoordigers van de U.N.O. die de eigenlijke verdeling moesten uitvoeren waren wel benoemd maar nog immer niet verschenen.
De niet-openlijke oorlog der Arabische naburige staten met half-openlijke steun van de Engelse mandataris ging ongestoord verder.
Nog was de Haganah in het defensief en bevatten de dagelijkse aanplakbiljetten op de muren in Jeruzalem en Tel Aviv de namen van de vele slachtoffers die in de strijd of bij een overval vanuit een hinderlaag waren gevallen.
Ik wilde mijn opstellen besluiten met een beroep op de wereld om eindelijk toch te willen zien waar het om ging. Hier was niet alleen de „wereldvrede” in gevaar. Wereldvrede is een woord en slechts weinigen beseffen de mogelijkheid tot realisatie van deze
137